Samenvatting van lezing over mijn werk, 
gegeven op 27 januari 2009 in 38CC.
   
De opening van de tentoonstelling werd verricht door Jeanne Dekkers.
Zij deed dit in de vorm van een toespraak. 
In haar toespraak beschreef zij het voorbereidingsgesprek voor de opening, een dag ervoor. 
Het gesprek vond plaats in de tentoonstellingsruimte, 
in het beeld, tussen haar en mij. Jos was er ook. 
Hij nam niet deel aan het gesprek. Hij was aan het stofzuigen. Jos is doof.
Het beschrijven van ons gesprek op die vrijdagmiddag, met verwijzingen naar Jos, 
andere kunstenaars en zwemmen zou ik vorm willen noemen. 
Vorm in de zin dat er sprake is van structuur, een stramien. 
Je zou het zelfs een dramaturgische structuur kunnen noemen 
omdat er sprake is van het samenvallen van tijd, handeling en plaats. 
Drie basiseenheden waar de theaterkunst op stoelt. Mij sprak deze wijze van openen bijzonder aan. 
Niet zozeer vanwege een structuur die verwijst naar de theaterkunst waarin ik mij zijdelings beweeg 
maar vooral omdat Jeanne Dekkers in haar openingswoord uitging van wat er al reeds was: het vrijdagmiddaggesprek. 
Door dit vrijdagmiddaggesprek te herhalen benadrukte zij het belang van dit gesprek en de intensiteit.
De vorm die Jeanne heeft gekozen wil ik overnemen. 
Zoals zij het vrijdagmiddaggesprek als kapstok heeft gebruikt voor de opening 
wil ik haar toespraak gebruiken als kapstok van deze lezing.
En zoals bij het openingswoord van Jeanne nieuweassociaties binnenslopen en nieuwe aanknopingspunten ontstonden, 
zo zal dat ook in deze lezing gaan gebeuren. 
Jeanne vertelde bijvoorbeeld dat ze tijdens het zwemmen, na ons gesprek, opmerkte dat zij tussen twee lijnen zwom. 
Vooral herkende ik mij in hoe Jeanne vertelde dat zij na het zwemmen keek hoe water uit haar zwempak het putje inliep 
en zich afvroeg in welk putgaatje het eerste water zou weglopen. 
De aandacht die zij daar mee toont voor het terloopse deel ik met haar.
Behalve dat ik de terloopsheid van bijvoorbeeld vlekken op een vloer benadruk en laat zien, maak ik ook werk – 
meestal plaatsgebonden – die deze terloopsheid zelf benadrukt. 
Zoals ik het openingswoord van Jeanne Dekker ervoer als een cadeau kreeg ik op de 
opening nog een tweede cadeau: van Paul de Kort, vriend en collega-kunstenaar en Magreet de Goeij, 
vriendin en partner van Paul. Het waren een fles wijn en wat voor nu van belang is twee foto’s (Spoleto 2006). 
De foto’s hebben zij tijdens één van hun vakanties in Spoleto genomen. 
Het beeld van de stukken gerepareerd asfalt omlijnd met stuifmeel van de boom 
deed hen sterk aan mijn werk denken en mij ook.
Het stuifmeel, dat lichtgroengeel van kleur is, is in de verdiepte randen 
van de gerepareerde stukken terechtgekomen en blijven liggen. 
Het kreeg niet de kans om te verwaaien en omlijnde op deze manier de vormen van de stukken asfalt, hoe achteloos, 
hoe terloops wordt zo een spoor, een vorm zichtbaar. Zelfs scheurtjes om de vormen heen zijn gevuld met stuifmeel. 
De scheuren en randen hebben zichzelf gevormd, door koude en warmte is het asfalt gekrompen en/of is het uitgezet. 
Er is niemand aan te pas gekomen om er een mooie grillige lijn van te maken, 
er is ook niemand aan te pas gekomen om een mooie interessante spannende vorm op het asfalt aan te leggen. 
De vorm is ontstaan omdat het asfalt daar kapot was. Klaar. 
Het is wat het is. 
En toch zo mooi, misschien wel door de vanzelfsprekendheid, de natuurlijkheid. 
Zo komt het ook voor dat er materiaal op voegen, randen, scheuren etcetera komt te liggen. 
De lijn wordt dan als het ware binnenstebuiten gekeerd. Dit zie je vaak na sneeuwval.
Lijnen op lijnen zie je ook vaak bij wegdekreparaties. 
Er wordt dan over een scheur nieuw asfalt gelegd.
Ook hier wordt de vorm niet bepaald door de wegwerker maar door de al aanwezige scheur die zichzelf heeft gevormd. 
Ik heb zowel lijnen getekend die in een reeds bestaande lijn vallen als lijnen die bij het overtekenen van 
voegen van muren ontstaan zoals ik gedaan heb bij de tentoonstelling Reis door mijn kamer, 
St. KIK in Drenthe en bij de kunstmanifestatie SimCity, Utrecht. 
Ik vind het enerzijds boeiend om een patroon binnenste- buiten te keren dat werkelijk overal in een stad 
zichtbaar is en dat wij amper als zodanig ervaren; 
-de hele stad staat immers vol met bakstenen gebouwen die allemaal hetzelfde voegenpatroon hebben-
anderzijds kies ik graag voor een vorm die al bestaat en ook wel als saai bestempeld kan worden: 
wij kennen het ondertussen wel. Het patroon is wiskundig te noemen, 
het heeft geen verassingen of wendingen in zich -ja soms- in de detaillering. 
De beschouwer kan de vorm als vanzelfsprekend ervaren. 
Natuurlijk (!) is deze vorm deze vorm. Het was er al, zoals er ook bomen zijn, en wolken en sneeuw. 
Zoals er natuurlijk ook een constructie is van dit gebouw. Anders zou het gebouw omvallen.
Jeanne Dekkers zei het al, ik ga in mijn werk uit van het bestaande. Dat wat er is, dat wat zichtbaar is. 
De vormen die ik maak, die ik teken zijn er al. Ik teken over. 
Ik accentueer, ik bevestig, ik laat zien wat ik zie. 
Ik voeg mij hierin naar de ruimte en ben gaandeweg steeds meer de ruimte als drager 
van mijn tekeningen gaan zien of liever gezegd de ruimte als beeld.
Zoals ik vroeger, als kind, atlassen en stripboeken als beelden zag die ik overtekende. 
Soms kom ik nog een plaatje van bijvoorbeeld de Flintsones tegen. 
Het plaatje brengt mij meteen terug naar het tekenen toen, de concentratie, 
het oranjerood van het Flintstonespak met de zwarte stippen. 
Over het overtekenen, het betekenen van wat er al is zou je kunnen concluderen dat mijn werk bescheiden is, 
dat mijn werk zich niet opdringt. Tegelijkertijd is mijn werk er het tegenovergestelde van. 
Door de ruimte zo letterlijk af te tasten lijkt het ook of mijn werk bezit neemt van de ruimte, 
niet alleen mijn werk maar ik zelf ook. De ruimte wordt van mij; ik heb de ruimte leren kennen door deze te betekenen. 
Ik heb de ruimte afgetast met mijn ogen en met mijn handen, ik ben mij er thuis gaan voelen. 
Het aftasten van de ruimte, het fysiek verkennen van de ruimte is voor mij zo van belang dat ik het liefst mijn werk zelf maak.
Ik realiseer mij dat het de vraag is of het voor de beschouwer er toe doet dat ik zelf getekend heb. 
 De beschouwer heeft misschien genoeg aan het beeld. En het beeld laat zien dat de ruimte is verkend. 
 Of het beeld persé door mijn handen moet zijn gegaan is maar de vraag. Jeanne had het over handwerk. 
Wiens handschrift het is, is misschien van minder 
belang. En toch: de lijn zelf is ook vorm: bepaald door het handschrift, de eigenschappen van het materiaal, het tempo van werken. 
Bij purschuim, waar ik veel mee getekend heb, is de dikte van de lijn redelijk in de hand te houden d.m.v. het pistool 
maar toch komt de materie er de ene keer dikker uit dan de andere keer. 
Soms ga ik sneller over een lijn dan de andere keer, buk ik minder diep of zit ik op de grond. 
Hoewel men mijn werk esthetisch kan noemen houd ik mij tijdens het tekenen niet bezig met esthetische overwegingen. 
Ik houd mij bij het tekenen zelf, het handelen. 
En nogmaals: in de beslissingen die ik neem hoe lijnen lopen laat ik mij leiden door de ruimte, de logica van het beeld. 
Ik werk het liefst met materialen die direct bruikbaar zijn en zich kunnen voegen in de ruimte. 
Purschuim heb ik al een aantal keren gebruikt in industriële gebouwen, zoals bij de kunstmanifestatie Define yourself in Deventer. 
Ook heb ik gewerkt met zout, stopverf, kraaltjes en verschillende soorten was. 
Mij zul je in ieder geval niet zien mengen, laat staan een constructie bouwen. 
Ik wil alles zo direct mogelijk. Met mijn materiaalkeuze wil ik aansluiten bij de ruimte. 
Dat aansluiten kan te maken hebben met kleur (in de Overslag) of met al het aanwezige materiaal (St.KIK) in de ruimte. 
In 38CC heb ik zwarte boetseerwas gebruikt omdat het materiaal, en dus de lijnen, een intens karakter 
hebben en omdat het handelen er zo zichtbaar in is. 
Bij purschuim, latexrubber etcetera is mijn handschrift ook zichtbaar (en daarmee de handeling en de tijd die het gekost heeft) 
maar bij boetseerwas ervaar ik het handwerk als intenser omdat de was letterlijk in mijn handen wordt gevormd.
Je ziet mijn vingerafdrukken, je ziet dat het gekneed is. Zwarte boetseerwas sloot mooi aan bij de grijsheid van de ruimte. 
Ook is het zo dat ik bepaalde materialen achtereenvolgens in verschillende installaties gebruik. 
Vaak is het zo dat een materiaal zich leent tot onderzoek: wat is er allemaal mee mogelijk? 
In mijn atelier uit zich dit soms in autonome beelden. 
Ik laat de beschouwer met mijn ruimtelijke tekeningen niet alleen zien wat er al is, 
ik laat de beschouwer vooral zien wat ik heb gezien. 
En wat ik zie is altijd concreet, tastbaar. Ik zie geen geschiedenis, ik zie niet dat hier, 
in de tentoonstellingsruimte van 38CC, een laboratoriumruimte is geweest, ik zie niet de maatschappelijke 
of sociaal-culturele betekenis van het gebouw of de plek of de stad. 
Ik zie patronen, structuren, lijnen, vlekken, balken, buizen. 
Het zijn deze stucturen die ik volg, zoals Jeanne het zegt. 
Het zijn vaak veronachtzaamde vormen die ik direct kan overtekenen met materiaal 
dat ik zo direct mogelijk kan gebruiken. In 38CC is het de onderlegger van het gebouw die ik heb benadrukt en die ik laat zien. 
Door deze onderlegger te laten zien is de ruimte beeld geworden. 
De toeschouwer loopt in en door het beeld en krijgt een handreiking om plaats, tijd en handeling te ervaren.  
Voor mij hangt het tekenen van wat er al is samen met mijn directheid van handelen. 
In die zin dat er geen achterliggend doel is, dat ik geen achterliggend indirect, niet zichtbaar teken wil geven met mijn beelden. 
Zoals vlekken vlekken zijn, een grid een grid is, zo zijn mijn beelden ook dat wat ze zijn. 
Bij de beschouwer kan het beeld weliswaar van alles oproepen. Silverlines en Circles on the floor deed veel bezoekers denken 
aan de zee en werken als vloerscan en de vloertekening bij De Fabriek in Eindhoven associeerden beschouwers met landschappen. 
Ik zie dat ook en tegelijkertijd moet ik er bij zeggen dat het mij daarom niet te doen is; 
dat de achterliggende betekenis niet de kwaliteit van het werk bepaalt en niet mijn streven is. 
Sterker nog: door mij hier niet mee bezig te houden, door geen zee of landschap te willen maken 
is het mij mogelijk vrij te maken en de beschouwer vrij te laten kijken.

Ronald de Ceuster
Januari 2009